18 Leuke Weetjes over Pinguïns
Met hun parmantige waggelpas, onberispelijke zwarte “smoking” en ongeëvenaarde zwemkunsten behoren pinguïns tot de meest geliefde vogels op aarde. Hoewel ze in de lucht geen centimeter van de grond komen, transformeren ze zodra ze het water raken in ware onderwater-straaljagers. Maar wist je dat lang niet alle pinguïns op het ijs leven, dat ze zout water drinken en weer uitniezen, en dat keizerspinguïns dieper kunnen duiken dan de meeste militaire onderzeeërs? Dit zijn 18 fascinerende weetjes over pinguïns.
1. Vliegen niet in de lucht, maar vliegen onder water

In de loop van miljoenen jaren evolutie hebben pinguïns het vermogen om door het luchtruim te vliegen volledig opgegeven. In plaats daarvan hebben hun vleugels zich ontwikkeld tot stijve, afgeplatte en extreem krachtige roeispanen: zogeheten “flippers”.
Onder water vliegen pinguïns letterlijk door de golven. Terwijl de meeste vogels holle botten hebben om licht te zijn in de lucht, zijn de botten van een pinguïn zwaar en massief. Dit geeft hen het nodige gewicht om diep onder water te duiken zonder direct naar boven te drijven. De snelste soort, de ezelspinguïn (“Pygoscelis papua”), kan onder water snelheden tot wel zesendertig kilometer per uur bereiken!
2. Een waterdichte vacht van veertig veertjes per vierkante centimeter

Om te overleven in water dat soms net onder het vriespunt ligt, bezit de pinguïn het dichtste verenkleed van alle vogels op aarde. Op een enkele vierkante centimeter huid staan tot wel veertig piepkleine, schubachtige veertjes strak over elkaar heen.
Vlak boven zijn staartbasis heeft de pinguïn een speciale stuitklier die een vettige, waterafstotende olie produceert. Met zijn snavel wrijft de vogel deze olie nauwgezet over al zijn veren. De buitenste laag veertjes vormt een volkomen ondoordringbaar schild tegen ijskoud water, terwijl de donzige onderlaag een isolerende luchtlaag vasthoudt die lichaamswarmte vasthoudt.
3. Er zijn achttien soorten en ze leven niet allemaal op het ijs

Het hardnekkige beeld dat alle pinguïns op drijvende ijsschotsen tussen de sneeuw leven, klopt van geen kant. Van de achttien erkende soorten leven er slechts vier exclusief op het Antarctische continent!
Alle wilde pinguïnsoorten leven op het zuidelijk halfrond, maar hun leefgebieden variëren van ijzige poolkappen tot gematigde kusten in Zuid-Afrika, Australië en Zuid-Amerika. De Galápagospinguïn (“Spheniscus mendiculus”) leeft zelfs pal op de evenaar, waar hij geniet van tropische temperaturen dankzij de koude Humboldt-zeestroom!
4. De keizerspinguïn: de reus onder de zeevogels

De absolute vorst van het pinguïnrijk is de keizerspinguïn (“Aptenodytes forsteri”). Met een statige hoogte van ruim 1,15 tot 1,20 meter en een gewicht tot wel veertig kilo is het met afstand de grootste en zwaarste levende pinguïnsoort.
Deze giganten trotseren de meest extreme omstandigheden op onze planeet: ze broeden midden in de Antarctische winter op het open pakijs, bij temperaturen die dalen tot min zestig graden Celsius en snijdende stormen van meer dan tweehonderd kilometer per uur.
5. De dwergpinguïn: een blauw ukkie van dertig centimeter

Aan de andere kant van het spectrum vinden we de kleine blauwe pinguïn (“Eudyptula minor”), in Australië en Nieuw-Zeeland liefkozend de “sprookjespinguïn” (“fairy penguin”) genoemd.
Dit aandoenlijke vogeltje wordt niet groter dan dertig tot vijfendertig centimeter en weegt amper één kilo. Met zijn leiblauwe verenkleed keert hij pas na zonsondergang in grote groepen terug naar zijn holletjes in de duinen om niet opgemerkt te worden door roofvogels.
6. Diepzeeduikers die vijfhonderd meter halen
Terwijl de meeste zeevogels hooguit een paar meter onder het wateroppervlak naar vis duiken, zijn pinguïns volwaardige diepzeeduikers.
Vooral keizerspinguïns leveren fysiologische prestaties die wetenschappers decennialang voor raadsels hebben gesteld: ze kunnen duiken tot een duizelingwekkende diepte van meer dan vijfhonderddertig meter! Tijdens zo’n duik kunnen ze hun adem meer dan twintig minuten inhouden. Hun spieren bevatten enorme hoeveelheden myoglobine (een zuurstofbindend eiwit) en hun hartslag vertraagt tijdens de duik tot slechts vijftien slagen per minuut om zuurstof te sparen.
7. Platte hoornvliezen voor haarscherp onderwaterzicht

Omdat pinguïns hun voedsel onder water moeten vangen in diepe, schemerige wateren, is hun ooganatomie volledig afgestemd op zicht in het water.
In tegenstelling tot landvogels, die bolle hoornvliezen hebben, bezitten pinguïns extreem platte hoornvliezen. Hierdoor breekt het licht onder water perfect op hun netvlies zonder onscherpte te veroorzaken. Op het land zijn ze daardoor een tikje bijziend, maar zodra ze onder water duiken, zien ze de allerkleinste schittering van een zilvervisje of krillkreeftje op tientallen meters afstand.
8. Extreem sociaal: warm blijven in een reusachtige huddle

Pinguïns zijn raszuivere groepsdieren die broeden in kolonies van duizenden tot soms wel honderdduizenden individuen tegelijk. Tijdens de meedogenloze Antarctische winterstormen passen mannelijke keizerspinguïns een geniale overlevingstactiek toe: de “huddle”.
Honderden tot duizenden mannetjes schuiven schouder aan schouder tegen elkaar aan tot een compacte, cirkelvormige massa. In het centrum van zo’n kluit kan de temperatuur oplopen tot wel vijfendertig graden boven nul! Om te voorkomen dat de vogels aan de buitenkant doodvriezen, beweegt de hele groep continu in een uiterst langzame, gecoördineerde golf: de buitenste dieren schuiven centimeter voor centimeter naar het warme centrum, terwijl de opgewarmde pinguïns vanzelf weer naar de rand bewegen.
9. Tobogganing: sleeën op de buik om energie te sparen
Iedereen kent het iconische, waggelende loopje van een pinguïn op het land. Hoewel dat er komisch uitziet, is het waggelen juist een heel efficiënte manier om kinetische energie over te brengen met korte poten.
Maar wanneer een pinguïn over zachte sneeuw of glad ijs moet reizen, kiest hij voor een veel snellere en leukere methode: “tobogganing”. Hij laat zich voorover op zijn gladde, ingevette buik vallen en zet zich met zijn flippers en pootjes af. Zo glijdt hij als een levende bobslee met verrassende snelheid over het sneeuwlandschap, waarbij hij aanzienlijk minder calorieën verbrandt dan tijdens het lopen.
10. Lange wandeltochten van tientallen kilometers

Wanneer het winterijs rond Antarctica groeit, bevindt het open water zich soms op enorme afstand van de traditionele broedplaatsen op het vaste land.
Keizerspinguïns moeten daardoor vaak een barre voettocht van vijftig tot wel honderd kilometer afleggen om hun broedkolonie te bereiken. Ze marcheren dagen achtereen in een kaarsrechte lijn door sneeuwstormen en over ijsrichels, feilloos navigerend op basis van het magnetisch veld van de aarde en de stand van de zon.
11. Kiezeltjes als ultiem huwelijksaanzoek
Bij veel soorten, zoals de adeliepinguïn en de ezelspinguïn, zijn stenen het meest kostbare bezit dat er bestaat. Omdat ze op rotsachtige kusten broeden, hebben ze gladde, ronde kiezels nodig om een verhoogd nest te bouwen dat hun ei beschermt tegen smeltwater en modder.
Het vinden van een perfect, gaaf kiezeltje is de ultieme manier om indruk te maken op een vrouwtje. Een mannetje zoekt urenlang naar de mooiste steen, wandelt er trots mee naar zijn uitverkorene en legt het kiezeltje voor haar poten neer. Buigt het vrouwtje en pakt ze de steen op? Dan is het huwelijksaanzoek geaccepteerd! De concurrentie is moordend: pinguïns zijn berucht om het stelen van stenen uit elkaars nest zodra de buren even de andere kant op kijken.
12. Toegewijd gedeeld ouderschap

Voortplanten op het ijs is een zware beproeving die absolute teamwork vereist. Bij vrijwel alle pinguïnsoorten delen vader en moeder de zorg voor het ei en het kuiken volkomen gelijkwaardig.
Bij de keizerspinguïn levert de vader zelfs de ultieme opoffering. Nadat het vrouwtje haar enige ei heeft gelegd, vertrekt ze direct naar zee om haar reserves aan te vullen. De vader balanceert het ei op de bovenkant van zijn poten, bedekt onder een dikke, warme buikplooi (de broedvlek). Hij blijft ruim twee maanden lang roerloos in de vrieskou staan zonder een hap te eten. Pas wanneer het kuiken uit het ei kruipt, keert moeder terug met een krop vol vers gevangen vis.
13. Ze drinken zout zeewater en niezen het zout weer uit
Tijdens hun maandenlange verblijf op open zee is er nergens een druppel zoet drinkwater voorhanden. Pinguïns lossen dit op door simpelweg ijskoud zeewater naar binnen te slobberen.
Omdat hun nieren die enorme hoeveelheden zout niet kunnen verwerken, bezitten pinguïns een speciaal zoutorgaan: de zupra-orbitale klier, gelegen vlak boven hun oogkassen. Deze klier filtert het overtollige zout razendsnel uit de bloedbaan en zet het om in een geconcentreerde zoutoplossing. Via kleine kanaaltjes loopt dit vocht naar de neusgaten, waarna de pinguïn het zout letterlijk met een krachtige nies in het rond sproeit!
14. De smoking is een ingenieuze militaire camouflage

Het klassieke zwart-witte verenkleed van de pinguïn ziet eruit als een deftig rokkostuum, maar is in feite een schoolvoorbeeld van tegensluipcamouflage (“countershading”).
Kijkt een roofdier (zoals een zeeluipaard of orka) van bovenaf naar een zwemmende pinguïn, dan valt diens zwarte rug volkomen weg tegen de donkere, diepe oceaanbodem. Kijkt een roofdier of prooivis daarentegen van onderaf omhoog, dan blendt de witte buik naadloos met het lichte wateroppervlak en het binnenvallende zonlicht.
15. Rijen weerhaken op tong en gehemelte
Als je ooit in de snavel van een pinguïn zou kijken, tref je een beeld aan dat zo uit een sciencefictionfilm lijkt te komen. Zijn hele tong en gehemelte zijn bedekt met honderden vlezige, naar achteren wijzende weerhaken (“papillen”).
Omdat pinguïns onder water jagen op glibberige vissen, pijlinktvissen en krillkreeftjes, is grip van levensbelang. Zodra een vis eenmaal in de snavel belandt, prikken de weerhaken direct in het schubbenlijf. De prooi kan door de terugwijzende stekels nog maar één kant op: linea recta de slokdarm in!
16. Reuzengrote pinguïns in de oertijd
Vandaag de dag is de keizerspinguïn de grootste levende soort, maar vergeleken met zijn prehistorische voorouders is het maar een dwerg.
Miljoenen jaren geleden zwierven er ware zeemonsters over de zuidelijke oceanen. Fossielen van soorten zoals “Kumimanu biceae” en “Palaeeudyptes klekowskii” bewijzen dat oerpinguïns een lengte van ruim twee meter konden bereiken en meer dan honderdvijftien kilo wogen – groter en zwaarder dan een volwassen mens!
17. Een complete, dramatische rui in enkele weken
Terwijl de meeste vogels hun veren geleidelijk verliezen zodat ze kunnen blijven vliegen, ondergaan pinguïns een zogeheten “catastrofale rui”. Eenmaal per jaar verliezen ze al hun oude, versleten veren in een tijdsbestek van slechts twee tot vier weken tegelijk.
Tijdens deze periode verliezen de pinguïns hun waterdichte isolatie en kunnen ze het ijskoude water absoluut niet in. Ze moeten aan land blijven en gedwongen vasten totdat hun nieuwe, glanzende verenpak compleet volgroeid is. Ze zien er in die periode hilarisch ontploft en gehavend uit, maar na een maand zijn ze weer honderd procent waterdicht.
18. Ernstige bedreiging door smeltend zee-ijs en overbevissing
Hoewel pinguïns uitzonderlijk geharde overlevers zijn, staan veel soorten vandaag de dag onder gigantische druk. De klimaatverandering warmt de poolzeeën op, waardoor het levensnoodzakelijke zee-ijs veel te vroeg in het seizoen afbreekt. Hierdoor verdrinken duizenden jonge keizerspinguïn-kuikens nog voordat ze hun waterdichte verenkleed hebben ontwikkeld.
Daarnaast vormt de industriële visserij op krill een directe bedreiging voor hun voedselvoorziening, en spoelen pinguïns in warmere gebieden geregeld aan door plasticvervuiling en olierampen. Diverse natuurbeschermingsorganisaties strijden wereldwijd voor grote beschermde mariene reservaten rond Antarctica om deze iconische zeevogels voor de toekomst te behouden.
