Regenwormen – 11 Weetjes over deze zeer belangrijke beestjes

Regenwormen zitten bijna overal, al zou je dat niet zeggen. Het zijn veelvoorkomende beestjes die ook nog eens een aantal indrukwekkende kwaliteiten hebben. Je leert er meer over in deze top 11 weetjes over regenwormen.

Ze verbeteren de kwaliteit van aarde

verbeteren de aarde

Boeren en tuiniers opgelet: want regenwormen zijn je beste vriend. Hun natuurlijke gedrag kan de kwaliteit van je planten aanzienlijk verbeteren. De beestjes graven namelijk kleine tunnels onder de grond, waardoor water zich makkelijker door de bodem verspreidt. Hierdoor kunnen planten ook makkelijker water opnemen en nog beter groeien. De tunnels zorgen er ook voor dat er meer zuurstof in de grond komt voor sterkere wortels. De grond blijft bovendien vers doordat regenwormen aarde eten. Ze poepen de aarde vervolgens weer uit, waardoor er altijd verse voedingsstoffen in de grond zitten.

Ze ademen door hun huid

ademen door de huid

Regenwormen hebben geen longen, maar hebben deze ook helemaal niet nodig. Ze gebruiken namelijk hun huid om te ademen. Hun lichamen zijn permeabel, wat betekent dat de huid vloeistof en lucht direct kan opnemen. Zo zuigen regenwormen eigenlijk voedingsstoffen op vanuit hun omgeving. Ze moeten wel vochtig blijven om dit proces gaande te houden. Daarom vermijden de insecten zonlicht en vind je ze ook niet in gebieden met een woestijnklimaat.

Ze hebben kleine haartjes

setae

Wanneer je een regenworm ziet of aanraakt, lijken ze helemaal slijmerig en glad te zijn. Niets is minder waar, want de beestjes zijn eigenlijk bedekt in piepkleine haartjes die ook wel setae genoemd worden. Al deze haartjes helpen de regenworm om zichzelf voort te bewegen in de grond. Zonder de haartjes zouden ze het een stuk zwaarder hebben om een weg te graven in de grond.

Ze zijn tweeslachtig

tweeslachtig

Tweeslachtige dieren kunnen zowel de rol van het mannetje als van het vrouwtje vervullen wanneer het om voortplanting gaat. Regenwormen zijn tweeslachtig, maar dat betekent niet dat ze zichzelf kunnen bevruchten. Ze hebben toch echt een partner nodig om voor nakomelingen te zorgen. Na het paren bouwt iedere regenworm een kleine cocon met een speciaal goedje dat uit hun lichaam komt. Twee tot vier weken later komen er kleine regenwormen uit deze cocon gekropen.

Ze kunnen delen van hun lichaam laten aangroeien

aangroeien

Wanneer een regenworm in tweeën wordt gesneden, is het beestje vaak in staat om de ontbrekende lichaamsdelen weer aan te laten groeien. Dat is makkelijker voor jonge dan voor oude regenwormen. Over het algemeen geldt: zolang het letsel niet te erg is, is de schade niet permanent. Er is wel een mythe die rondgaat over het in tweeën snijden van regenwormen. Er wordt gedacht dat beide helften dan in leven blijven en eigenlijk twee nieuwe wormen vormen. Dat is niet waar, want regenwormen hebben daadwerkelijk een kop. Het deel met de kop is dan ook het deel dat doorleeft.

Ze vluchten door regen

vluchten voor de regen

Er wordt vaak gedacht dat regenwormen tevoorschijn komen tijdens de regen omdat het water hun tunnels overstroomt. Dat klopt niet, want de beestjes kunnen door hun huid ademen en dus niet verdrinken. Ze komen juist tevoorschijn omdat de trilling van de regen hun natuurlijke vluchtreactie activeert. Het trillen van een flinke regenbui klinkt en voelt blijkbaar hetzelfde als een mol die een tunnel aan het graven is. Mollen zijn een natuurlijke vijand voor regenwormen, dus de beestjes kruipen naar de oppervlakte voor veiligheid.

Licht kan ze verlammen

zon is slecht

Regenwormen kunnen geen licht zien, maar wel de aanwezigheid van licht voelen. Ze leven het grootste deel van hun bestaan onder de grond en komen nauwelijks naar de oppervlakte. Wanneer ze dat wel doen, voelen sensoren bij hun kop het licht aan. Blijven ze meer dan een uur in het licht? Dan kan dit ze verlammen. Uv-stralen zijn bovendien dodelijk voor de beestjes omdat het ze uitdroogt. Hierdoor kunnen ze niet meer ademhalen.

Er zijn 7.000 verschillende soorten

veel soorten regenworm

De regenworm is eigenlijk slechts één soort in een ontzettend grote familie. Er zijn meer dan 600 verschillende regenwormen, maar de complete familie bestaat uit maar liefst 7.000 soorten. Het uiterlijk van al deze beestjes loopt flink uiteen. Zo zijn sommige soorten een paar centimeter lang, terwijl er ook familieleden zijn die met gemak een lengte van 1,5 meter kunnen bereiken.

Het is op sommige plekken een invasieve soort

Regenwormen komen oorspronkelijk uit Europa, maar zijn inmiddels over de hele wereld te vinden. Zo leven ze ook in Noord-Amerika, waar ze zijn beland dankzij voedsel dat naar dit continent geëxporteerd werd. Zo hielden ze zich schuil in modder dat aan groenten vastzat, waarna ze het hele continent over konden nemen. Als nieuwkomer zijn ze in staat om de natuurlijke balans flink te verstoren. Zo eten ze voedingstoffen die normaal gesproken door lokale bloemen en planten gebruikt werden. In Europa zijn regenwormen dus goed voor de bodemkwaliteit, maar op andere plekken is dat anders.

Ze eten ’s nachts

snachts eten

Regenwormen zijn echte nachtdieren. Ze zijn namelijk gevoelig voor licht, dus ze vinden het prettiger om ’s nachts op zoek te gaan naar een lekker hapje. Ze komen dan boven de grond, waar ze vaak genoeg lekkere maaltijden vinden. Het zijn echte afvaleters die afgebroken materiaal van planten eten. Zo houden ze van blaadjes, plantenresten en ander dood materiaal. Eten is niet de enige reden waarom ze ’s nachts actief zijn. Ze komen dan ook tevoorschijn om op zoek te gaan naar een partner.

Ze kunnen groot worden

De meeste regenwormen die je tegenkomt zijn een paar centimeter lang, maar er zijn soorten die bijna monsterachtig groot kunnen worden. Zo is er de megascolides australis die in Australië leeft. Deze worm ziet er bijna uit als een slang met een lengte van 1,8 meter. Het record voor de grootste normale regenworm ter wereld wordt gehouden door regenworm Dave. Deze worm werd maar liefst 40 centimeter lang en woog ongeveer 28 gram. Hij was zo indrukwekkend dat zijn lichaam bewaard is gebleven en vandaag de dag te zien is in het Natural History Museum in Londen.