Pythons zijn enkele van de grootste en indrukwekkendste slangen ter wereld. Met hun imposante lengte, kracht en unieke jachttechnieken spelen ze een belangrijke rol in hun ecosystemen. Dit zijn 12 weetjes over pythons.
1. Behoren tot de grootste slangen ter wereld

Pythons zijn onder de grootste slangen ter wereld. De Birmese python kan tot 7,5 meter lang worden, terwijl de netpython het nog verder schopt. Dat zijn geen uitzonderingen: vrouwtjes van deze soorten worden standaard veel groter dan mannetjes en kunnen honderden kilo’s wegen.
2. De netpython is de langste slang ter wereld

De netpython (Malayopython reticulatus) is de langste slang ter wereld, met bevestigde lengtes van meer dan 8 meter. Het langste exemplaar ooit gemeten was een gevangen exemplaar van 7,67 meter, maar in het wild zijn er meldingen van slangen die de 8 meter haalden. De soort leeft in de regenwouden van Zuidoost-Azië en is herkenbaar aan zijn ingewikkelde netvormige patroon.
3. Niet giftig maar dodelijk door wurging
Pythons zijn niet giftig. Ze vangen hun prooi door zich eromheen te wikkelen en samen te knijpen. Dat doen ze niet door botten te breken, maar door de bloedcirculatie te stoppen: bij elke uitademing van de prooi knijpen ze iets harder, totdat het hart het opgeeft. Een grote python kan een hert, een krokodil of zelfs een mens overmeesteren op die manier.
4. Eten zelden maar veel
Pythons zijn opportunistische eters die jagen op vogels, knaagdieren, herten en apen. Dankzij hun flexibele kaken en rekbare huid kunnen ze prooien verorberen die veel groter zijn dan hun eigen kop. Na zo’n grote maaltijd kunnen ze weken of zelfs maanden zonder eten. Grote exemplaren eten soms maar een handvol keer per jaar.
5. Vervellen

Net als alle slangen vervellen pythons hun huid regelmatig, een proces dat ecdysis heet. Bij jonge, snel groeiende dieren gebeurt dit om de paar weken; bij volwassen exemplaren een paar keer per jaar. De oude huid wordt in één stuk afgestroopt, van de snuit naar de staart. Dat helpt ook om parasieten en beschadigde huidcellen kwijt te raken.
6. Hebben warmtesensoren in hun lippen
Pythons hebben kleine kuiltjes langs hun bovenlip die warmtestraling oppikken. Daarmee detecteren ze het lichaamswarmte van prooidieren, ook in volledige duisternis. Die thermosensoren werken zo nauwkeurig dat een python het temperatuurverschil tussen een muis en de omgevingslucht op korte afstand kan waarnemen. Het zijn in feite ingebouwde warmtecamera’s.
7. Uitstekende zwemmers
Pythons zwemmen goed en sommige soorten brengen een groot deel van hun leven in of bij het water door. De tijgerpython kan tientallen minuten onder water blijven. Burmese pythons in Florida, waar ze als invasieve soort zijn ingeburgerd, zwemmen moeiteloos door de Everglades en doorkruisen ook zout water tussen eilanden.
8. Vrouwtjes broeden hun eieren uit
Pythons zijn eierleggend. Een vrouwtje legt afhankelijk van de soort tussen de 10 en 100 eieren per legsel. Wat pythons onderscheidt van de meeste andere slangen is dat het vrouwtje actief om de eieren heen gekruld blijft en de temperatuur van het nest regelt door te trillen met haar spieren. Die spiertrillingen wekken warmte op en houden de eieren op de juiste temperatuur.
9. Solitaire dieren

Pythons leven alleen. Ze komen alleen bij elkaar tijdens de paartijd, en zodra de paring achter de rug is gaan mannetje en vrouwtje elk hun eigen weg. Zelfs het vrouwtje verlaat de jongen zodra die uit het ei zijn gekropen. Territorium verdedigen ze via chemische signalen die ze met hun tong oppikken uit de lucht.
10. Groot aanpassingsvermogen
Pythons komen voor in tropische regenwouden, droge savannes, moerasgebieden en bergachtige gebieden. De Birmese python is daar een goed voorbeeld van: oorspronkelijk een bosbewoner uit Zuidoost-Azië, heeft hij zich inmiddels volledig aangepast aan de wetlands van Florida, waar hij uitgegroeid is tot een van de meest problematische invasieve soorten ter wereld.
11. Jagen vanuit een hinderlaag
Pythons zijn hinderlaagsjagers. Ze liggen stilletjes te wachten, soms urenlang, totdat een prooi op de juiste afstand komt. Dan slaan ze razendsnel toe met hun bek, grijpen de prooi vast met naar achteren gebogen tanden en beginnen direct met wurgen. Die tanden zijn niet gemaakt om te bijten maar om te grijpen: ze zitten zo gebogen dat een prooi zich er niet uit los kan trekken.
12. Kunnen de eigen stofwisseling sterk terugschroeven
Een van de bijzonderste eigenschappen van pythons is hun vermogen om hun stofwisseling extreem laag te zetten tijdens periodes zonder voedsel. Het hart krimpt letterlijk in omvang, de spijsverteringsorganen slinken, en de energiebehoefte daalt tot een minimum. Zodra er weer voedsel beschikbaar is, schakelt het lichaam in enkele uren terug naar volle capaciteit. Wetenschappers bestuderen dit mechanisme als mogelijk model voor medische toepassingen bij mensen.